dinsdag, 26 maart 2019

De Oude Kooi: van eendenkooi tot recreatieterrein

Als je van de Koppoel bij Rijpwetering naar de Kagerplassen vaart, kom je langs het eiland de Oude Kooi. De naam doet vermoeden dat er ooit een eendenkooi was. Hoe kom je er achter of die veronderstelling klopt? We nemen u mee op een zoektocht langs oude kaarten, belastingplichtigen uit de 17de eeuw en dossiers van de huidige eigenaar. Eerst gaan we in op eendenkooien in Rijnland en hoe de eenden gevangen werden. 

Principe van een eendenkooi 

De bekendste vorm van een eendenkooi is een rechthoekige waterplas, volledig omgeven door rietschermen en een klein bos. Het bos en de schermen zorgen er voor dat de plas een beschutte plek is waar eenden overdag graag verblijven om uit te rusten, voordat ze ’s nachts in de omgeving gaan foerageren. De plas loopt in de hoeken uit op steeds smaller wordende sloten, de vangpijpen. Een eendenkooi kan één tot vier, en soms zelfs meer, vangpijpen hebben. Deze zijn overspannen met netten of gaas op bogen of palen. De nauw toelopende fuikconstructie eindigt in een vanghokje. De meeste eendenkooien hebben het karakteristieke ‘rogge-ei-model’, met op de vier hoekpunten van de rechthoekige kooiplas een vangpijp.

 

Op de kooiplas verblijven min of meer permanent tientallen tot honderden eenden. Deze ‘lokstal’ is vertrouwd met de kooiker en zijn hondje en blijft permanent in de plas. Daarnaast is er een groep eenden die er ’s nachts op uit vliegt op zoek naar voedsel, de ‘vliegstal’. Als de ‘vliegstal’ terugkeert op de kooiplas nemen ze wilde eenden mee, waar het in wezen om begonnen is. De kooiker lokt met zijn hondje de wilde eenden de vangpijp in. Op het juiste moment komt de kooiker te voorschijn. Van schrik vliegen de eenden de fuik in en komen uiteindelijk in het vanghokje terecht. Nadat de kooiker het valluikje dicht getrokken heeft, kunnen de eenden niet meer ontsnappen en “gaan ze de pijp uit”.

Eendenkooien in Rijnland

Milja van Tielhof heeft nagegaan waar in Rijnland eendenkooien voorkwamen. Op de bekende kaarten van vader en zoon Van Berckenrode zijn ze te herkennen aan rechthoeken, ver van de bewoonde wereld. In Alkemade ontbraken ze volgens Van Tielhof. Op de Oude Kooi is geen rechthoek te zien. Aan de westzijde van de Kagerplassen bestaat nog steeds een eendenkooi in de Warmondse Kooipolder. Zo’n poldernaam is veelbetekenend. Ook tussen Hoogmade en Koudekerk ligt aan de Groenewegh een Kooipolder. Op kaarten uit 1829 en 1860 is de (voormalige) eendenkooi er duidelijk te zien.

De kaart van 1828

De eerste nauwkeurige kaarten van Alkemade zijn gemaakt in 1828 ten behoeve van het Kadaster. Het eiland de Oude Kooi staat op de kaart van Sectie A, genaamd de Kaag. Er is inderdaad de onmiskenbare vorm van een eendenkooi te herkennen. Weliswaar niet met de vier pijpen, het typische ‘rogge-ei’, maar slechts twee. Een halve kooi dus, die ook bekend is uit de literatuur. De omgeving van de kooi werd kennelijk intensief gebruikt, want hij is verdeeld in wel vijftien kleine percelen. We worden nog nieuwsgieriger. Is te achterhalen van wie de kooi in 1828 was?

 

Plattegrond van een eendenkooi: het klassieke ‘rogge-ei-model’ met vier vangpijpen.

 

Kadastrale kaart “de Kaag” uit 1828: de Oude Kooi. De kooiplas en de twee vangpijpen zijn duidelijk zichtbaar.
Op de vijftien percelen rondom de kooiplas staat bos.

Overzicht Aanwijzende Tafel

De eigenaren van de percelen staan vermeld op een Overzicht Aanwijzende Tafel die bij de kadastrale kaart hoort. De vijftien percelen rondom de eendenkooi waren in 1828 van de ‘Erven Abraham Rochat’. In het archief van Leiden zijn Rochats gegevens te vinden. Abraham David François Rochat is geboren in Bern, Zwitserland. Hij was steenbewerker en overleed in 1812 in de Leidse Paradijssteeg. Niet bepaald een aannemelijke Plattegrond van een eendenkooi: het klassieke ‘rogge-ei-model’ met vier vangpijpen. uitvalsbasis om op een eilandje bij de ALKMADDERS | SEPTEMBER 2017 13 Kagerplassen eenden te gaan vangen. Het spoor lijkt dood te lopen. Wie gebruikte de kooi dan wel? 

Belastingplichtigen in 1680

In het onvolprezen boek ‘Tussen Kaag en Braassem’ zijn we op zoek gegaan naar aanwijzingen. In de bundel presenteert redacteur A.G. van der Steur een overzicht van inwoners in Alkemade in 1680. Ze moesten toen hun beroep opgeven, waarna belasting werd opgelegd naar draagkracht. Er is in het hele ambacht Alkemade één persoon met het beroep ‘kooyman’. Onder de buurt Aade vinden we hem: Reynout Jansz. De buurt Aade lag dicht bij de Oude Kooi. Het lijkt er op dat de eendenkooi wel eens van Reynout Jansz kan zijn geweest. Maar er is nog geen bewijs. Transacties van lenen De Heren van Alkemade te Warmond bezaten ooit land, dat telkens in de vorm van ‘lenen’ werd overgedragen. Eén van die lenen was een eilandje, genaamd de ’Laegenen’, gelegen achter de Cage. Het leen werd voor het eerst genoemd in 1414 en in de zestiende eeuw gesplitst in een oostelijk en een westelijk deel. Op 9 juni 1643 werd Reynout Jansz, na de dood van zijn vader, de eigenaar van het oostelijk deel. Hij werd in 1651 aangeduid als ‘Reynout Jansz. met zijn kooi’. De eendenkooi op de Oude Kooi was dus onmiskenbaar ooit van Reynout Jansz. 

De familie van Jan Gerritsz Schuijn

Uit de diverse transacties blijkt dat Jan Gerritsz. Schuijn de vader van Reynout was. Hij was geboren in 1560 en stierf in 1643. Met zijn vrouw Maritgen Jansdr kreeg hij vijf kinderen: Oude Pieter Jansz, Cornelis Jansz, Reynout Jansz, Jonge Pieter Jansz en Maritgen Jansdr. Reynout, die leefde van 1616 tot 1690, erfde van zijn vader de eendenkooi en omgeving. Het beroep van kooiker ging vaak over van vader op zoon. In 1652 verwierf Reynout ook het westelijk deel van het eiland, van Huijbert Claesz Visscher. Verder bezat Reynout land in de Waterloospolder en Akkerslootpolder en een huis aan de Koppoel dat later als bezit van zijn dochter Catharina werd genoemd. Het wel en wee van de eendenkooi volgen we via Reynouts dochter.

Reynouts schoonzoon Laurens van Dijcksloot

Catharina of Trijntie Schuijn trouwde op 21 mei 1675 in Rijpwetering met Laurens van Dijcksloot uit Warmond. Hij was ‘jonghman secretaris van de Vrije ende Hooghe Heerlijckeijt van Warmont’. In 1677 had de ambachtsheer van Bennebroek, Adriaen Pauw, een eendenkooi laten aanleggen door kooiman Dirk Cornelis van Borselen voor maximaal ƒ 2.100,-. Kennelijk was de ambachtsheer ontevreden over het resultaat, want in 1677 schakelde hij Laurens van Dijcksloot en Cornelis Kommersen in voor een inspectie. Laurens, die dankzij zijn schoonvader Reynout Jansz enige kennis van eendenkooien had, en Cornelis rapporteerden in 1677 over de kooi van Adriaen Pauw. Zij verklaarden dat Van Borselen de vogelkooi inderdaad niet conform het contract had gemaakt. In de loop van de tijd klom Laurens van secretaris op tot schout en baljuw van Warmond. Hij kreeg met Catharina twee kinderen: Agnes en Jan Jacob. Toen Reynout in 1690 overleed gingen de eendenkooi en het huis aan de Koppoel over naar Catharina. Bij haar dood in 1740, Laurens was eerder overleden, erfde haar zoon Jan Jacob de eendenkooi. Hij overleed in 1747, waarna de notaris Josue l’Ange in Leiden curator werd. Uit Van Dijkslooth’s nalatenschap werd de eendenkooi gekocht door Michiel Arisz Vermeij, die de kooi op 20 februari 1784 verkocht aan de 36-jarige Abraham David François Rochat. Hij zou zich 28 jaar lang eigenaar van de eendenkooi mogen noemen. In de burgerlijke stand van Leiden werd genoteerd dat op 22 oktober 1812 de 65-jarige vrijgezel Rochat was overleden. De aangifte werd gedaan door Felix Meylan en Charles Theodore Meylan, ook afkomstig uit Zwitserland. Het lijkt erop dat zij de ‘Erven Abraham Rochat’ waren. 

De naam van Catharina Schuijn op de trouwakte van 21 mei 1675.

Detail uit de Aangifte van overlijden van Abraham Rochat in 1812 (in het Frans).

Hooiland en hakhout

Een van de percelen naast de eendenkooi was in het bezit van A. Melman In 1842 diende hij een plan in voor het vergraven van een deel 14 ALKMADDERS | SEPTEMBER 2017 ringdijk van het droog te leggen Haarlemmermeer. Het plan ging niet door. De percelen van Melman en anderen, zoals van ‘bouwman’ Jacob van Tol, waren in gebruik als hooiland. Het voor- en nagras op de Oude Kooi werd regelmatig verpacht, onder andere in het café van mejuffrouw Zoetemelk in Rijpwetering. Het houtgewas rondom de voormalige eendenkooi, “gemakkelijk over water te vervoeren”, werd verkocht. Het Leidsch Dagblad meldde in 1892 dat de jager G. Meijer, te Rijpwetering, een buitenkansje had in “eene rietkrocht achter de Oude Kooi in den Sever een otter van zeldzame grootte en zwaarte te schieten. Het dier had eene lengte van 1.15 M en woog ruim 11 K.G. “. Het eiland viel in de smaak. Niet alleen boeren, maar ook buitenlui, zoals de rijke Haarlemse familie Buyssant en Rochat kochten er land. In de twintigste eeuw voegde de oprichter van de renbaan Duindigt zich bij het gezelschap. In 1926 bood Walter Joachim Jochems 1.92.20 hectare land te huur aan, dat eerder in bezit was geweest van C. Haastregt (en eerder van Melman). In 1935 verkochten de erven weduwe D.C. Los een 2.26.30 ha groot terrein (kampeerterrein).

Recreatieterrein

De Unie van Watertoeristen (UVW), opgericht in 1929, verwierf in de loop van de tijd vijf terreinen in Nederland, waaronder een terrein op de Oude Kooi. In het jaarverslag van 1935 wordt opgemerkt: “Men zocht nogal eens om het te vinden.” Desondanks nam de belangstelling toe, want de eigenaar gaf een uitstekende ‘service’. De huur bedroeg enkele tientjes per jaar. Het moet om het ‘kampeerterrein’ van de Erven Wed. D. C. Los gaan, dat immers alleen via water bereikbaar was. In de oorlogsjaren lag het motorboottoerisme stil. “Slechts de roeier en de kanovaarder konden nog het watertoerisme beoefenen.” Ook was er een kampeerverbod uitgevaardigd. Bij de enkele bezoeken van UVW-leden werd geconstateerd dat niet-leden “misbruik maakten van ons Kaagterrein”. In 1943 “moest helaas de sterke arme der politie een paar maal ingrijpen om onbevoegden te weren”. De UVW bleef last houden van ongewenste bezoekers. In 1979 werd overwogen om een andere patrouillevlet aan te schaffen in de strijd tegen de ‘zwartliggers’. Geleidelijk verwierf de Unie meer delen van het eiland op het westelijk deel. In 1963 was er al een Nieuwe Haven gegraven. In dat jaar werd er een 75-jarige inwoner van Rijpwetering betrapt op het zetten van palingfuiken. Zijn “fuiken, leefnet, ketel met gaatjes en een stok” werden verbeurd verklaard. Op een tekening uit 1965 is te zien dat de UVW driekwart van het eiland bezat. Alleen de percelen van mejuffrouw Destrée, de R.K. Armen van Rijpwetering en Ellinkhuizen ontbraken nog. Ook is zichtbaar dat de twee vangpijpen van de voormalige eendenkooi gedempt zijn. Vanuit de oude kooiplas was naar de Kever een ‘Nieuwe Kooisloot’ gegraven, waarover een bruggetje was aangelegd. Detail uit de Aangifte van overlijden van Abraham Rochat in 1812 (in het Frans). Het hooiland van Adrianus Melman, ‘bouwman’ te Alkemade, zou in 1842 deels vergraven worden. Het plan ging niet door. ALKMADDERS | SEPTEMBER 2017 15 De tekening diende als basis van een “plan voor het maken van een recreatieoord”. Men had twee onderling verbonden havenkommen in gedachten op het westelijk deel van het eiland met een verbinding naar de Sever. De UVW noemde dat deel het ‘nieuwe eiland’.

Het hooiland van Adrianus Melman, ‘bouwman’ te Alkemade, zou in 1842 deels vergraven worden. Het plan ging niet door.

 

1. Foto van een haven (de Kooisloot) met pleziervaartuigen.
2. Plan voor twee havenkommen en vaarten in 1965. Het plan van de UWV voor een recreatieoord werd afgewezen dee de Raad van State. (bron: Stadsarchief Amsterdam)
3. Een recente luchtfoto van de Oude Kooi.

 

Recreatieoord

De UVW kwam met het plan voor het recreatieoord inclusief uitbreiding van de accommodatie en het aantal steigers in het nieuws in 1967. De minister maakte bezwaar tegen het plan. Het zou de Oude Kooi als ‘schraaleiland’ aantasten. Ook waren de geplande vaarten en havenkommen in strijd met het bestemmingsplan van Alkemade: ‘groen, onbebouwd’. Het beroep van de UVW bij de Raad van State werd verworpen. Vanaf nu werden kleinschalige aanpassingen uitgevoerd, zoals het ophogen voor paden en het maken van oeverbeschermingen. Voor het onderhoud sloot de UVW een contract met Albertus Petrus Bisschop uit Rijpwetering. Hij kapte hout en sneed riet op het oostelijk deel van het eiland. Langs de noordwestoever, die het meest bloot staat aan de golfslag op de Kever, is een puinbestorting aangebracht. De UVW schakelde voor de bescherming van de overige oevers de bedrijven Jacques van de Weteringh uit Oude Wetering en H.M.L. de Rijk uit Leimuiden in. De oevers langs de Sever, het Grote en Kleine Kerkgat zijn nu voorzien van een hardhouten beschoeiing. Het is niet verwonderlijk dat argeloze vaarders die in de Sever belanden, verbaasd zijn over de strakke noordoever, die in schril contrast staat met de rietkragen elders langs de Kagerplassen. 

 

Houten wipstaartmolentje op de noordwestpunt van d eOudeKooi omstreeks1 950. Op de voorgrond staat Jaap Hoogenboom, molenaar van de Waterloosmolen van 1915-1965.

(bron:www.molendatabase.org)

Bronnen: ■ C. Hoek en A.M. Verbeek (1977 en 1999), Repertorium op de lenen van de hofstad (Oud-) Alkemade te Warmond, 1307-1796. ■ J.J.H.G.D. Karelse (2008), Eendenkooi en kooibedrijf. De Nederlandse Kooikershond. Nieuwsblad van de Historische Vereniging Ameide en Tienhoven. Jaargang 19, nummer 1, februari, pp. 9-15. ■ Leidsch Dagblad, 27 juli 1967, “Meer aanlegplaatsen bij ‘De Oude Kooi’ in gemeente Alkemade”. ■ Stadsarchief Amsterdam, Unie van Watertoeristen; inventaris 815, bestanddelen 70 en 92. ■ A.G. van der Steur (1985), De bevolking van Alkemade in 1680. In: A. G. van der Steur (red.), Tussen Kaag en Braassem. ■ Milja van Tielhof (2004), Eendenkooien in Rijnland in de vroegmoderne tijd. Tijdschrift voor Waterstaatsgeschiedenis 13, pp. 47-59. 

 

Bovenstaand artikel is met toestemming overgenomen van de website: http://rijnlandgeschiedenis.nl

0
0
0
s2smodern
powered by social2s